vrijdag 29 juni 2007

But not just


‘Dit is het net niet, of net wel, Sarah.’
‘Je bedoelt, het okselhaar.’
‘Ja, ook dat. De keurige afgeschorenheid en zo. Ik bedoel die houding van dat soort meisjes!’
‘Hoe oud ben ik, Ben?’
‘Vijf en vijftig.’
‘Weinig kans meer.’

Dronken


‘Wanneer je eenmaal dronken bent, sjaa...!’
‘Maar zo bezopen.’
‘Ik ben het met je eens, Sarah.’
‘In één bed, vanavond!’
‘Verschrikkelijk. Je hebt helemaal gelijk. Absoluut.’
‘Want wie wil er nou met een dronken vent in bed liggen?’
‘Niemand, daar heb je het grootste gelijk van de wereld.’
‘Maar je moet toch slapen.’
‘Yes.’
‘En niet bij mij.’
‘O?’
‘Niet bij mij.’
‘Maar waar dan?’
‘Dat zal ik je eens.’
‘Uitgebreid vertellen, ja.’
‘Lieverd. Een lieveling die zulke woorden gebruikt - kom, we gaan naar bed.’

Dame


‘Het is dus niet zo zeer de dame, Sarah.’
‘Ik probeer je te begrijpen, Ben.’
‘Maar het is wel een prachtige dame, dat moet je toegeven.’
‘All right, all right. Mooier dan ik ben?’
‘Ja! Nee! Natuurlijk niet. Een beetje mooier, vooruit. Als ik moest kiezen tussen zo iemand.’
‘Ik wil geen beledigende teksten horen.’
‘En jou, dan koos ik.’
‘Je bent een schat van een jongen.’
‘Je onderbreekt me steeds, Sarah. Maar dan koos ik, o schattebout...’

Genetisch materiaal

‘O ja. Heerlijke titel, Ben.’

Gelukkig worden

‘Dat geloof jij toch ook niet, Ben?’
‘Dat je alleen samen gelukkig kunt worden?’
‘Ja.’
‘Nee.’
‘Daar geloof ik ook niks van, nee. Neem nou BWV 140 van Bach, daar kan ik helemaal in m’n eentje gelukkig van worden.’
‘Als het...’
‘Als het een beetje goed uitgevoerd wordt, ja. Maar neem nu een schilderij van Magritte. Dat zie je en dan neemt je geluksgevoel ook toe. Eindelijk iemand die snapt hoe de wereld draait, denk je dan. Heerlijk.’
‘Maar dan ben je eigenlijk gelukkig samen met Magritte.’
‘Vooruit, ja. Laten we dat afspreken, Sarah. Jij wou nog een dingetje?’
‘Een Pernodje. Wel leuk dat onze gesprekken zo precies worden genoteerd.’

donderdag 28 juni 2007

Welk boek

‘Wanneer ben je jarig, Ben?’
‘De 24ste september.’
‘En wat had je gehad willen hebben?’
‘Een boek, graag.’
Welk boek?’
‘Een boek dat ik al jaren gehad zou willen hebben, is ‘La disparition’ van Georges Perec.’
‘Dat boek zonder die e’s?’
‘Ja.’
‘Getverdemme, Ben.’

Hecca


‘Ik weet niet waarom mensen zulke foto’s maken. Ik weet het echt niet, Sarah.’
‘Doe mij nog een Pernodje, beetje water erbij, en dan zal ik het je uitleggen, Ben.’
‘Eén Pernodje voor mevrouw.’
‘Dank je. Kijk, Ben. Zoals het Katholiek Dagblad, of weet ik hoe dat nieuwsorgaan heet, een sfeerfoto plaatste die enorm leek op deze foto, zo bestaat ook deze foto. Het is nu eenmaal zo, proost Ben, dat - ik zei: proost Ben.’
‘Proost Sarah.’
‘Dank je. Het is nu eenmaal zo dat je ook in een geciviliseerde maatschappij mensen hebt rondlopen die geloven in een god, een allah, een decca.’
‘Een hecca, bedoel je.’
‘Ja, whatever. En die mensen willen dat kenbaar maken, zo van onze Buddha of onze Jezus was een fantastische figuur.’
‘Dus dan huren ze een fotograaf in?’
‘Meer schuilt er niet achter, domme jongen.’

Dali of Magritte


‘Dit is geen Magritte, Ben.’
‘Te netjes geschilderd, bedoel je.’
‘Dat ook ja, maar als ik naar die kuit kijk en naar die enkel, moet ik aan Dali denken. Gek, want ik dacht dat ik al Dali’s werk wel kende. Dit kende ik niet.’
‘Ik kende dit schilderij ook niet. Ik heb het van een Griekse blog gehaald, ik weet niet meer hoe die heette. Maar je hebt gelijk. Er zit ook geen leuke bedoeling achter dit schilderij. Die zit er altijd wel achter een Magritte.’
‘Hoe heet dit schilderij?’
‘Dat weet ik ook al niet. Zoiets als Autosodomized Madonna.’
‘Dan is het een Dali, kan niet missen.’

Afstamming


‘Mij wordt wel eens gevraagd of jij joods bent, Sarah.’
‘Vragen ze dat vanwege mijn neus?’
‘Nou nee, dat geloof ik niet. Omdat je Sarah heet, denk ik.’
‘O ja. Ik dacht al.’
‘Als je iemand vanwege zijn neus moet afkeuren, keur je half Nederland af.’
‘Dat dacht ik ook, ja. Waarom vragen ze dat dan?’
‘Dat weet ik niet. Ik geloof onder meer omdat Egmonders eigenlijk racisten zijn.’
‘Meen je dat, Ben?’
‘Ja. De gelukkige uitzonderingen daargelaten natuurlijk.’
‘Want ik heb nooit iets racistisch gemerkt, hier.’
‘Dat komt omdat je met de uitzonderingen hebt kennis gemaakt.’
‘Maar ik ben niet joods, of eigenlijk wel. Mijn overgrootvader was een jood. Hij trouwde met een katholieke vrouw, wat heel ongewoon was toentertijd. Begin twintigste eeuw, Zaandam. Hun oudste zoon heette, net als zijn vader, Abram. Dat was dus een halve jood, die er overigens niets aan deed, aan het geloof of zo. Die Abram 2 kreeg maar één kind, met zijn vrouw die Anja heette, en dat was mijn moeder, die Ademin heette. Mientje werd ze genoemd. En Mientje kreeg je Sarah. Ook een enig kind, en dat enige kind zit nu voor je, Benneman.’

woensdag 27 juni 2007

Nooit meer!


‘Wil je dat gebaar nooit meer maken, Ben?’
‘Vooruit. Je hebt gelijk, Sarah.’

Zoveel bagger


‘Zoveel bagger, zoveel cliché’s, dan moet die kerk toch wel sterk zijn. Zei Gerard Reve.’
‘Ja, Gerard Reve. Zijn broer Karel was verstandiger.’
‘Waar heb je dit plaatje vandaan, Ben?’
‘Van een blog die ‘Vive Jezus’ heet, en die van een zuster van Franciscus van Sales is. Leve Jezus. Als hij al ooit geleefd heeft, dan leeft hij nu toch niet meer?’
‘Zijn gedachtegangen, die leven nog steeds bij veel mensen.’
‘O ja?’
‘Bij minister Rouvoet bijvoorbeeld.’
‘Kom.’
‘Nee, echt.’
‘Je maakt een grapje, Sarah.’
‘Nee, echt. Ik meen het.’
‘Ik had je echt serieuzer gedacht, Saar. Gedachten uit een tijd van schapen, kamelen en woestijnen die nu nog in Nederland leven? Minister Rouvoet! Dat is toch een uiterst ernstig persoon?’

Een kunstwerk van Michel-Jean Dupierris


Niet alle Amerikanen zijn gek, hoor!


dinsdag 26 juni 2007

Ruzie


‘Jij hebt een mailtje gestuurd naar Francisco van Jole.’
‘Ja. Omdat hij steeds maar terugkomt op zijn onmin met die lui van SteenGijl, ik bedoel Geenstijl.’
‘Maar dat is toch goed, Ben? Hij trekt bijvoorbeeld het succes van GeenStijl in twijfel, hij zegt erbij dat het een stel laffe verdraaiers zijn. Hij zegt allemaal ware dingen. Dat moet een journalist ook doen.’
‘Dat moet een journalist ook een keer doen, ja. Eén keer, twee keer, drie keer, en dan is het wel voldoende. Dan is het onderwerp afgehandeld.’
‘Je bedoelt: je moet een onderwerp dat eigenlijk geen onderwerp is, niet belangrijk gaan maken.’
‘Je haalt me de woorden uit de mond, Sarah. Je zou bijna denken dat GeenStijl invloedrijk is geworden - wat ze natuurlijk niet zijn, net zo min als de Tuf Tuf Club of de jongens van Geert Wilders invloedrijk zijn.’
‘Geen bericht, goed bericht. Dat is jouw boodschap dus.’
‘Nee, als dat soort jongens van de Telegraaf of van Elsevier - weet ik waar ze vandaan komen - rare dingen gaan doen, maak je daar een schamper bericht over. Je komt er een half jaar later nog eens op terug. Weer een jaar later som je alle mislukkingen van dat stel mislukkelingen nog eens op, en klaar is Kees.’
‘Maar als die lui nou dingen doen zoals vuile mails sturen.’
‘Wat is vuil, wat is vuil. Ze doen het ten eerste altijd anoniem, dus die mails schrap je doodgewoon. Als er wat serieuzere bedreigingen bij zitten, waarschuw je de politie. Dat doet hun voorman ook altijd.’
‘Geert?’
‘Ja. Die laat zich nota bene beschermen door beveiligers! Het zijn nu eenmaal nooit de dapperste mensen, Sarah.’

Intelligent ontwerp

‘Onze beste minister, Ben.’
‘Ongetwijfeld.’
‘Je wilt zeggen: laat het hem eerst maar eens waarmaken.’
‘Uiteraard. Maar ik ben het met je eens: hij is onze beste minister, en ik hoop dat hij later Balkenende opvolgt. Eerst moet hij de rotzooi in het onderwijs maar eens opruimen.’
‘Heb je zondag dat programma over hem gezien?’
‘Ja. Ik zat naast jou, lieverd.’
‘Oja. Weet je wat ik daarvan vond? Die Plasterk heeft de afgelopen tien jaar over minstens honderd onderwerpen geschreven. Maar dat programma was van de KRO, en dus gingen ze zaniken over dat intelligent design, waar hij inderdaad ook een keer of twee over geschreven heeft. Dat vond hij, terecht, onzin. In dat programma zat ook een ethicus of een andere christenhond, die vond dat Plasterks ministerschap om die reden precair was.’
‘Ja, dat heb je met zulke mensen. We moeten de kinderen niet alleen leren dat twee maal twee vier is, we moeten ze ook leren dat twee maal twee drie of vijf of honderd is.’
‘Of dat twee maal twee iets is. Iets tussen hemel en aarde.’
‘Ja. Een minister die daar een einde aan kan maken, is een groot minister.’

zondag 24 juni 2007

Treurigheid


‘Het Texaans-Duits sterft uit, Ben.’
‘Je zegt het alsof we moeten denken: wat moeten wij daarmee?’
‘Wat moeten wij daarmee?’
‘Nou, in elk geval moeten we geen actiegroep oprichten voor het behoud van het Texaans-Duits, dat lijkt me wel duidelijk. Geen actiegroepen, geen groepen die subsidie proberen los te weken. Los daarvan: ik ben wel benieuwd hoe dat Texaans-Duits klinkt. Het lijkt me een soort van Überdeutsch te zijn.’
‘Maar jij vindt dus niet...’
‘Nee. Het Derps staat ook op het punt van verdwijnen, de taal van Egmond aan Zee. De jongste spreker die ik ken, is van mijn leeftijd, dus over dertig jaar is het Derps verdwenen.’
‘Dat is toch jammer, Ben?’
‘Waarom? Over dertig jaar hebben die jonge gassies van nu wel weer een ander accent en andere, hoe moet ik het zeggen, taalmiddelen gekregen. Neem een woord als ‘computer’. Dat bestond niet in het Derps. Bestond ook niet in het Westfries of in het Nederlands. Vanochtend, onderweg naar de super, heb ik het driemaal gehoord, van drie zeer jonge kinderen.’
‘Maar neem nou ‘te waskip gaan’. Het is toch zonde als zo’n uitdrukking verdwijnt?’
‘Dat is inderdaad doodzonde. Dat soort uitdrukkingen moet dan ook bewaard blijven in oude woordenboeken en zo. Maar als de jongelui gewoon maar af en toe te waskip gaan, is er volgens mij nog weinig verloren.’
‘Heb jij het ooit gedaan, Ben?’
‘Te waskip?’
‘Hmm.’
‘Nee, helaas. Ik woonde in Limmen, en mijn familie woonde daar niet ver vandaan. Limmen, Heiloo, Bakkum (een prachtig dorp nog, toentertijd), Castricum. Ik geloof dat je pas echt te waskip kon gaan, als je familie had in bijvoorbeeld Nibbixwoud. Daar logeren, dat zou een feest geweest zijn.’
‘Dus dat te waskip gaan veronderstelde ook een zekere afstand.’
‘Ja. Wat vroeger een afstand was, natuurlijk.’
‘Stel dat je een tante in Parijs had gehad.’
‘Dan zouden we niet over te waskip gaan gesproken hebben, maar over logeren.’

zaterdag 23 juni 2007

Just moving around


‘Dat doe jij het liefst, is het niet, Ben?’
‘Gewoon rondkijken, ja.’
‘Je klikt eerst op 2525, dan op je Wandering Primate, dan op je Bieslog.’
‘En natuurlijk op Scientific News.’
‘Jaha. Maak dat me wijs. Maar dan klik je al gauw op Volgende Blog. Zeg me eens, waarom je dat nou doet.’
‘Ik wil mezelf verwennen, Sarah.’
‘Maar verreweg het meeste dat je tegenkomt, is pure rotzooi!’
‘Ja, maar heel soms, heel soms, is daar. Ik noem maar iets: Moon River. Prachtige blog. Of die blog van Michel-Jean Dupierris. Die vind je dan. Schitterend. Dus je klikt gewoon voorbij al die onzin uit Amerika en al die Hollywood-flauwekul en al die Finse gezinsdrama’s.’
Finse gezinsdrama’s. Maar het is leuk uitgelegd, Ben.’

Het moment


‘Wat is voor jou het moment waarop je denkt, ojee, Sarah?’
‘Het moment van depressief worden?’
‘Ja. Dat moment.’
‘Ik heb je al verteld over Cassius Clay die zich Muhammed Ali ging noemen. Dat zou je zo’n moment kunnen noemen. Daarvoor was ik een actieve meid, ik deed aan toneel, ik sportte wel niet, maar ik was zo actief als de pest. Ik werd ook gewaardeerd door de mensen. Ik was een grappige meid.’
‘Dat bent ge nog steeds, Sarah.’
‘Dankoewel, heer Ben. Ik weet nog dat ik pianoles had, met gewoon de dingen van Clementi en zo. Ik weet nog dat ik daar opeens geen zin meer in had, al vóór Cassius Clay.’
‘Je wilt zeggen, het moment kwam dus al eerder.’
‘Ja. Ik weet ook nog dat ik op de middelbare school voor Nederlands een opstel moest maken. Dat opstel maakte ik niet, het lukte me niet. Terwijl het me voordien steeds gelukt was. Ik weet ook nog wat de titel van mijn opstel moest zijn: Haar.’
‘En dat lukte niet???’
‘Nee. Doe maar een Pernodje, lieverd. Nee, dat lukte me gewoon niet. Ik zat te plussen en te minnen over een eerste zin, en ik kwam er niet uit. En ik had steeds gedacht: jij wordt nog eens een grote schrijfster, Sarah!’
‘Dus: enorme verwachtingen, en dan komt de breuk: nee, het is niets met mij.’
‘Ja. Enorme verwachtingen die ik zelf had opgebouwd.’
‘Je dacht, een WF Hermans...’
‘Nou, die niet. WF Hermans vind ik nog steeds een kei. Maar een Mulisch, die zou ik wel eventjes opvreten, ja. Dat vind ik nog steeds een waardeloze schrijver, op dat ene verhaal na, waarin die twee mensen in die auto voor die grens zitten te wachten. Prachtig verhaal.’
‘Maar hèt moment van de depressie?’
‘Sorry, lieverd.’

Beste schilderij


‘Dit vind jij dus het beste schilderij van de 20ste eeuw.’
‘Ja.’
‘Ik had eerder iets verwacht van tja, van Braque of Chagall of Picasso.’
‘Nee hoor, niets van die jongens. Zeker niet van Chagall.’
‘Leg het me dan eens uit.’
‘Zoals ik dit schilderij zie? Nou, neem de titel alleen al: ‘Valeurs personelles’. Persoonlijke waarden, kun je vertalen. Maar je kunt het ook vertalen als: dingen die voor mij belangrijk zijn. En wat is voor Magritte belangrijk: ’s ochtends opstaan, wassen, tanden poetsen, scheren, haren kammen, een lekkere pijp opsteken en een lekker glas wijn. En natuurlijk moet het een beetje mooi weer zijn.’
‘Zou het zo simpel zijn, Ben?’
‘Zo simpel zie ik het. Dus hij heeft die kam, die lucifer en dat stuk zeep vergroot. Klaar is Kees. Als hij nou een vervelende Nederlandse schilder was geweest, had hij dit schilderij ‘De ochtenden’ kunnen noemen.’
‘Je bedoelt te zeggen dat je ‘De avonden’ niet zo goed vindt?’
‘Een hogelijk overschat boek, ja. Magritte stelde op het eind van zijn leven ook zijn hoed tentoon, met een plakkaat ‘Usage externe’. Voor uitwendig gebruik. Dat was het eerste dat ik zag van Magritte. Daar moest ik ongelooflijk om lachen. Toen ben ik zijn schilderijen gaan opzoeken, en later ook schilderijen van Max Ernst, De Chirico, Dali, noem maar op. Dali viel al snel af, moet ik zeggen. Maar Magritte is de schilder van de 20ste eeuw.’

vrijdag 22 juni 2007

Reizen


‘Dus dat heeft je nooit aangetrokken, Ben?’
‘Nee. Ik moet er niet aan denken. Reizen door Thailand, Vietnam, Maleisië, Australië, noem maar op. Of wat las ik laatst, reizen door de Andes. Bah.’
‘Jij vindt elke vorm van reizen tegennatuurlijk.’
‘Ja, eigenlijk wel. Een mens moet ongeveer blijven op de plaats waar hij geboren is, vind ik. Als je dus gaat emigreren naar zeg Denemarken of Portugal, dan moet je wel zeker weten of je rotzooi daar gewenst is. De rotzooi die je automatisch meeneemt daar naartoe.’
‘Dat is emigreren. Maar een wereldreis.’
‘Daar geldt eigenlijk hetzelfde voor. Stel, je gaat eerst naar Brazilië. Dan vind ik dat je Portugees geleerd moet hebben, anders versta je niemand. Heb je die taal eenmaal geleerd, dan wil je ook minstens twee jaar in Brazilië blijven. Daarna komt bijvoorbeeld Argentinië. Daar spreken de mensen Spaans. Moet je ook leren. Dan steek je over naar Fiji, ik weet niet wat de mensen daar spreken.’
‘Jij wilt je eigenlijk thuis voelen, waar je ook bent.’
‘Ja.’
‘Ook op vakantie in Bangkok, bijvoorbeeld.’
Ik op vakantie in Bangkok? Waar houd je me voor, Sarah?’
‘Of Sidney.’
Sidney?’
‘Ik hoor het al, een wereldreis zit er niet in.’
‘Nee, dat zit er niet in. Het spijt me. Het enige wat ik wel had willen meemaken - maar dat is nu natuurlijk niet mogelijk meer, met mijn etalagebenen - is een wetenschappelijke trip door de moerassen van zeg Florida, samen met een lepidopteroloog van het soort Nabokov.’
‘Als leerling.’
‘Als leerling, ja. Elke reiziger is een leerling. Als je naar Stavanger reist, dan zijn de mensen van Stavanger je leraren. Dan moet je dus Noors kunnen spreken.’
‘Je hebt gewoon heimwee, Ben. Geef het maar toe.’
‘Daar heb ik ook last van, ja. Toen ik twintig was, ging ik eens naar de stad Groningen. Een spannende stad, had ik vernomen of gelezen. Ik was daar twee dagen, en toen moest ik weer terug naar Noord-Holland. Een ander mens zou daar twee weken gebleven zijn. Ik vond ook zelf dat ik er veel langer zou moeten blijven, maar ik vertrok na een paar dagen, en ik was zielsgelukkig toen ik weer thuis was.’
‘Maar als je nu wat schrijft.’
‘Ik schrijf uitsluitend over Egmond, Alkmaar, Limmen.’
‘Maar een personage reist bijvoorbeeld per trein naar Brussel.’
‘Dat doet een personage niet bij mij, maar als hij dat doet, dan verzin ik eenvoudig alles. Dat personage, dat natuurlijk ook verzonnen is, reist per trein naar Brussel. Dat doe je in twee zinnen. Aankomst in Brussel, daarvoor kijk ik op het internet. Ook een paar zinnen. Dan gaat hij als de wiedeweerga natuurlijk terug, want wat heeft hij in Brussel te zoeken? Niets.’